Actuele info

Corporate - Handelscontracten en handelsgeschillen

11.12.2020 - Corporate - Economisch recht met o.a. marktpraktijken, Corporate - Handelscontracten en handelsgeschillen, Corporate - Intellectuele eigendomsrechten en ICT

SABAM VS. TOMORROWLAND | WECANDANCE

De festivalorganisatoren hebben daaropvolgend de rechtmatigheid van voormeld tarief 211 betwist en stelden dat de berekende vergoedingen in strijd zijn met artikel 102 VWEU en dat zij niet overeenstemmen met de economische waarde van de diensten die SABAM verleent. Men argumenteerde o.a. dat de berekeningswijze van de vergoeding niet nauwkeurig genoeg is en dat het gehanteerde tarief de festivalorganisatoren niet de mogelijkheid biedt om gemaakte uitgaven van de bruto-ontvangsten te trekken, ingevolge waarvan SABAM ten onrechte de vruchten plukt van de hogere ticketprijs dewelke te danken is aan de organisatoren die een totaalbelevering creëren voor hun festivalgangers en de kosten die daarmee gepaard gaan.

SABAM kan immers voor het gebruik van dezelfde werken uit haar repertoire een hogere vergoeding vragen bij evenementen met een hogere ticketprijs. Zulks zonder dat SABAM andere of meer prestaties levert volgens de festivalorganisatoren.

In het kader van dit geschil heeft de Belgische rechter een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie gesteld, waarbij de verwijzende rechter uitging van de vraag hoe nauwkeurig de vastgestelde tarifering moet gebeuren door een organisatie met een machtspositie (zoals SABAM), wil er geen sprake zijn van misbruik van die machtspositie door die organisatie vanwege onbillijke tarifering.

Het Hof van Justitie oordeelde op 25 november 2020 over deze zaak.

Het Hof stelt dat het door SABAM gehanteerde model een rechtmatig doel i.h.k.v. het mededingingsrecht nastreeft, met name het beschermen van de rechten en belangen van haar leden, en dat het hanteren van zo’n vergoedingsmodel op zichzelf geen misbruik in de zin van artikel 102 VWEU oplevert.

Wat de hoogte van de vergoeding in functie van de ticketprijs betreft, besliste het Hof dat de inspanningen en gemaakte kosten van de organisatoren, dewelke resulteren in de hogere ticketprijzen, geen afbreuk doen aan het door SABAM gehanteerde model. Het feit dat de kosten niet afgetrokken kunnen worden van de bruto-ontvangsten waarop SABAM haar tarieven toepast, levert op zichzelf dan ook geen misbruik in de zin van artikel 102 VWEU op.

De nationale rechter dient vervolgens zelf na te gaan of de economische waarde van de door SABAM geleverde prestaties in redelijke verhouding staan tot het gehanteerde vergoedingsmodel dat gebaseerd is op de bruto-ontvangsten uit de ticketverkoop.

Het Hof stelt evenwel dat de gehanteerde regel die aan de grondslag ligt van het gehanteerde vergoedingsmodel zeer onnauwkeurig rekening houdt met de hoeveelheid daadwerkelijk uitgevoerde muziekwerken uit het repertoire van SABAM. Het komt de verwijzende rechter dan ook toe om na te gaan of er een andere methode bestaat waarmee dat gebruik nauwkeuriger kan worden geïdentificeerd en gekwantificeerd. Het Hof geeft reeds te kennen dat uit verschillende factoren blijkt dat SABAM gebruik zou kunnen maken van een andere methode, doch dat het de verwijzende rechter toekomt om dit na te gaan.

Het Hof concludeerde aldus dat SABAM geen misbruik maakt van haar feitelijke machtspositie door een auteursrechtelijke vergoeding, gebaseerd op de bruto-ontvangsten van de ticketverkoop, te vragen. De nationale rechter  zal wel geval per geval kunnen oordelen of er geen alternatieve methoden bestaan om nauwkeurig de hoeveelheid daadwerkelijk uitgevoerde muziekwerken vast te stellen.

Katrien Loyens